De discussie over artificiële intelligentie en softwareontwikkeling verloopt opvallend voorspelbaar. Zodra iemand suggereert dat AI een fundamentele impact zal hebben op IT-jobs, volgt vrijwel onmiddellijk een geruststellende reactie vanuit de sector. Er zullen altijd ontwikkelaars nodig zijn. AI zal programmeurs ondersteunen, niet vervangen. Software wordt immers steeds belangrijker, dus ook de mensen die software bouwen zullen nodig blijven.
Hoewel daar ongetwijfeld een kern van waarheid in zit, heb ik steeds meer het gevoel dat we daardoor de essentie van de discussie missen. De vraag is immers niet of organisaties in de toekomst nog technische profielen nodig zullen hebben. De vraag is of de technische profielen die we vandaag opleiden dezelfde rollen zullen opnemen als de technische profielen van morgen.
Dat onderscheid lijkt subtiel, maar het maakt een wereld van verschil.
Decennialang werd de waarde van een IT-professional in belangrijke mate bepaald door zijn of haar vermogen om software te bouwen. Bedrijven hadden nood aan toepassingen, websites, databases, rapporteringstools en integraties tussen systemen, maar beschikten zelf niet over de kennis om die oplossingen te realiseren. Daardoor ontstond een duidelijke scheiding tussen business en IT. Aan de ene kant stonden de mensen die de problemen kenden, aan de andere kant de mensen die over de technische vaardigheden beschikten om die problemen op te lossen. De programmeur vormde de brug tussen beide werelden.
Dat model werkte goed omdat programmeren een schaars talent was. Voor de meeste mensen was softwareontwikkeling een complex vakgebied dat jaren training vereiste. Wie code kon schrijven, bezat kennis die voor de meeste collega’s ontoegankelijk was. De technische implementatie vormde daardoor vaak de grootste uitdaging binnen een project.
Vandaag zien we echter iets ontstaan wat we in de geschiedenis van softwareontwikkeling nog niet eerder hebben meegemaakt. Voor het eerst begint de technische vertaalslag zelf te automatiseren. Steeds krachtigere AI-systemen zijn in staat om software te genereren op basis van natuurlijke taal, bestaande code te analyseren, fouten op te sporen, documentatie te schrijven en zelfs volledige toepassingen op te bouwen vanuit een relatief beperkte beschrijving van een probleem. De technologie bevindt zich nog lang niet op een niveau waarop menselijke tussenkomst overbodig wordt, maar ze is ondertussen wel krachtig genoeg om de aard van softwareontwikkeling fundamenteel te veranderen.
Dat betekent niet dat programmeurs zullen verdwijnen. Het betekent wel dat programmeren steeds minder de activiteit wordt waarvoor organisaties bereid zijn te betalen.
Dat klinkt misschien provocerend, maar eigenlijk is het een logisch economisch principe. Naarmate iets goedkoper en toegankelijker wordt, verschuift de waarde naar een hoger niveau in de keten. Toen websites bouwen een zeldzame expertise was, lag de waarde bij de webdeveloper. Vandaag zijn er talloze platformen waarmee een website in enkele uren kan worden samengesteld. Daardoor ligt de meerwaarde niet langer in het bouwen van de website zelf, maar in het begrijpen van de doelgroep, het ontwerpen van een goede gebruikerservaring en het creëren van relevante inhoud.
Dezelfde beweging zien we nu ontstaan binnen softwareontwikkeling.
Veel organisaties kampen vandaag niet met een tekort aan code. Ze kampen met een tekort aan mensen die begrijpen waar de echte problemen zich bevinden. Ze worstelen met inefficiënte processen, versnipperde informatiestromen, onduidelijke verantwoordelijkheden en afdelingen die elkaar moeilijk begrijpen. Geen van die problemen wordt opgelost door snel extra code te produceren. Ze vereisen mensen die voldoende technisch inzicht hebben om oplossingen te ontwerpen, maar ook voldoende organisatorisch inzicht om de onderliggende uitdaging correct te analyseren.
Precies daar zie ik de grootste verschuiving voor toekomstige IT-profielen.
Wanneer een steeds groter deel van de technische implementatie wordt ondersteund door AI, verschuift de menselijke meerwaarde automatisch naar activiteiten die voorafgaan aan het bouwen van de oplossing. Het vermogen om processen te begrijpen wordt belangrijker. Het vermogen om de juiste vragen te stellen wordt belangrijker. Het vermogen om gebruikers te begeleiden, tegenstrijdige belangen te verzoenen en technologie af te stemmen op strategische doelstellingen wordt belangrijker.
Opvallend genoeg zijn dit vaardigheden die binnen veel technische opleidingen traditioneel minder aandacht krijgen dan de puur technische componenten. Studenten investeren honderden uren in programmeertalen, frameworks en ontwikkelmethodologieën, terwijl communicatie, procesanalyse, consultancyvaardigheden en organisatorisch inzicht vaak een meer bescheiden plaats krijgen binnen het curriculum. Dat was jarenlang verdedigbaar omdat de technische kennis zelf de grootste onderscheidende factor vormde. De vraag is echter of dat in een AI-gedreven context nog steeds het geval zal zijn.
Misschien moeten we beginnen erkennen dat veel van de competenties die jarenlang als “soft skills” werden beschouwd, in werkelijkheid strategische kernvaardigheden zijn. Een technisch profiel dat een complexe organisatie kan doorgronden, noden kan detecteren die nog niet expliciet geformuleerd zijn en verschillende stakeholders rond een gezamenlijk doel kan verzamelen, creëert immers een vorm van waarde die veel moeilijker te automatiseren is dan het schrijven van een functie of het bouwen van een gebruikersinterface.
Daarom vraag ik me steeds vaker af of het woord “programmeur” nog wel de juiste term is voor de professionals die we vandaag opleiden. Het woord suggereert dat het schrijven van code centraal staat. Het definieert een professional op basis van zijn gereedschap in plaats van op basis van zijn maatschappelijke of economische bijdrage. We noemen architecten ook geen CAD-operatoren en artsen geen invullers van medische dossiers. Hun waarde ligt niet in de instrumenten die ze gebruiken, maar in hun vermogen om complexe problemen op te lossen binnen hun domein.
Misschien moeten we technische profielen op dezelfde manier bekijken. De professionals die organisaties in de toekomst nodig hebben, zijn niet noodzakelijk degenen die de meeste code kunnen produceren. Organisaties hebben nood aan mensen die technologie begrijpen, maar tegelijk kunnen redeneren vanuit processen, gebruikers, bedrijfsdoelstellingen en maatschappelijke context. Ze hebben nood aan mensen die kunnen bepalen wanneer AI een oplossing is, wanneer klassieke software volstaat en wanneer het probleem helemaal niet technisch van aard is. Ze hebben nood aan professionals die kunnen functioneren op het raakvlak tussen technologie, business en menselijke interactie.
Dat betekent niet dat technische expertise minder belangrijk wordt. Integendeel, een grondig begrip van software, data, infrastructuur en AI blijft essentieel. Het betekent wel dat die expertise steeds vaker een middel wordt in plaats van een einddoel. De echte uitdaging verschuift van “hoe bouwen we dit?” naar “wat moeten we eigenlijk bouwen en waarom?”
Misschien zullen we binnen tien jaar nog altijd evenveel mensen nodig hebben in de technologiesector als vandaag. Misschien zullen het er zelfs meer zijn. Ik vermoed echter dat hun functieprofielen veel minder zullen draaien rond programmeren en veel meer rond het ontwerpen van oplossingen, het verbeteren van processen en het verbinden van mensen, technologie en organisatiedoelstellingen.
We hebben nood aan vertalers tussen menselijke behoeften en digitale mogelijkheden.
De grote fout die we momenteel dreigen te maken, is dat we blijven denken in termen van programmeertalen terwijl de markt steeds meer nood krijgt aan vertalers. Niet vertalers tussen Nederlands en Engels, maar vertalers tussen business en technologie, tussen menselijke behoeften en digitale mogelijkheden, tussen complexe organisaties en de systemen die hen moeten ondersteunen.
Dat zijn misschien niet de beroepen waarmee veel IT-studenten ooit aan hun opleiding begonnen. Het zijn wel de beroepen waarvan ik vermoed dat ze de komende jaren de grootste impact zullen hebben.
Want hoe beter AI wordt in programmeren, hoe duidelijker één waarheid naar voren komt: code was nooit het uiteindelijke product. Code was slechts de manier waarop we oplossingen bouwden. De echte waarde lag altijd in het begrijpen van het probleem. En precies daarom denk ik dat de opleidingen die vandaag nog programmeurs proberen af te leveren, het risico lopen de professionals van gisteren op te leiden, terwijl de organisaties van morgen op zoek zullen zijn naar iets heel anders.


